woensdag 28 april 2010

uit het schetsboek geklapt


writers at work (33)



Anne Frank

Beste Jan



in de achtertuin van anne frank
tref je geen spuugbeestjes
& binnenkort
ook al geen kastanjes meer

er wordt een ent geplant - maar dat
leest toch teveel als een herdruk jan
de natuur wil immers gewoon zijn gang

& nu ik je toch spreek

wanneer gaan we weer garnalen vissen

dinsdag 27 april 2010

writers at work (32)


Ingeborg Bachmann

Bibliotheca Jürgiana - nieuwe aanwinsten



* Bachmann, Ingeborg & Paul Celan - Een dramatische liefde (Brieven)
* Buijnsters, Piet J - Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie
* Crumb, Robert - My troubles with women
* Crumb, Robert - Waiting for food (3)
* Doesborgh, Daan - De reeds beweende liefdes van Daan Doesborgh
* Doesborgh, Daan - De venus suikerspin
* Een liefde in brieven (Een briefwisseling uit de eerste wereldoorlog)
* Het grote Willem Frederik Hermans boek
* Het liegend konijn (april 2010)
* Komrij, Gerrit - De 21ste eeuw in 185 gedichten
* Leissl, Peter - De legendarische beklimmingen van de Giro d'Italia
* Minco, Marga - Achter de muur, de verzamelde verhalen
* Mortier, Erwin - Wat voorbij is begint pas (Lichtzinnige meditaties over het schrijven)
* Peppelenbos, Coen - Sing Sing (gedichten)
* Poetisch amsterdam (een wandeling in gedichten)
* Poetisch utrecht (een wandeling in gedichten)
* Purmerend in vijftig portretten (Geschiedenis 600 jaar stad)



* Safranski, Rüdiger - Goethe en Schiller (Het verhaal van een vriendschap)
* Stokvis, Willemijn - Cobra, de weg naar spontaniteit
* Teigetje & Woelrat - Huize het Gras (Met Gerard Kornelis van het Reve in Greonterp)
* Titaantjes waren we (Schrijvers schrijven zichzelf)
* Vlaskamp, Bennie - Post uit de vergetelheid (Brieven en kaarten uit getto's en nazi-kampen)
* Wielaert, Jeroen - Het Frankrijk van de Tour
* Zieteratuur (concrete en visuele poëzie)

maandag 26 april 2010

writers at work (31)



Marga Minco

vandaag in sepia : & de bergen schreven brieven


Fransesco Petrarca - de beklimming van de mont ventoux (1336)

De Beklimming van de Mont Ventoux is een brief van de Italiaanse dichter Francesco Petrarca over zijn tocht naar de top van de Mont Ventoux op 26 april 1336, gericht aan Dionigi di Borgo San Sepolcro. De brief werd later omstreeks 1350 gepubliceerd in zijn Epistolae familiares (IV, 1). In deze brief beweerde Petrarca de eerste mens te zijn sinds de klassieke oudheid die een bergtop besteeg omwille van het uitzicht van de top, louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte nader in ogenschouw te nemen. Hoewel de historische juistheid hiervan tegenwoordig in twijfel wordt getrokken, wordt die bewering vaak aangehaald bij beschrijvingen van de tijdgeest die opkwam in de Renaissance.

Petrarca's beklimming van de Mont Ventoux wordt wel beschouwd als begin van het toerisme en soms ook wel van de bergsport. De top van de Mont Ventoux, de enige berg die de Zuid-Franse Provence rijk is, ligt op 1912 meter hoogte.

ook leuk om na te lezen is het volgende artikel van leon hansen over petrarca's wandeling op de ventoux

uit het schetsboek geklapt


zaterdag 24 april 2010

writers at work (30)



Robert Louis Stevenson

uit het schetsboek geklapt


vandaag in sepia



Op 24 april 1942 werd Brendan Behan veroordeeld voor de aanslag op twee politieofficieren, en kreeg veertien jaar. Hij werd naar Mountjoy Prison gestuurd, en later naar het Curragh Internment Camp. Hij werd in 1946 vrijgelaten in een algemene amnestie voor republikeinse gevangenen.

meer over Behan leest men onder andere hier

dinsdag 20 april 2010

writers at work (28)



Gerard Reve

vandaag in sepia



Harold Clayton Lloyd (Burchard (Nebraska), 20 april 1893 - Beverly Hills (Californië), 8 maart 1971) was een Amerikaans acteur. Lloyd behoorde samen met Charlie Chaplin en Buster Keaton tot de populairste filmkomieken uit het tijdperk van de stomme film. Zijn bekendste personage was een optimistische, maar stuntelende jongeman met een karakteristieke grote zwarte bril met hoornen montuur, die met behulp van zijn geluk en vasthoudendheid succes wist te behalen uit tegenslagen en aan het einde van de film werd onthaald als een held. Lloyd was een atletisch acteur, en deed zelf vrij gevaarlijke stunts. Een scène in de film safety last uit 1923, waarin Lloyd hoog aan de wijzer van een klok hangt, behoort tot de bekendste beelden uit de cinema.

lees meer over Lloyd op wikipedia

zaterdag 17 april 2010

uit het schetsboek geklapt


writers at work (26)



J C Bloem

eerste voorronde eindhovenslam



gisteren na een afwezigheid van een kleine tien maanden weer eens het podium opgestapt voor een slam - te eindhoven ditmaal - onder de bezielende leiding van ACG Vianen - te weinig nieuw werk - maar op sommige uitnodigingen dient een mens gewoon in te gaan - in zoverre het werk en andere beslommeringen het natuurlijk toelaten - ACG heeft er een mooie slam neergezet, dat moet gezegd. Vier deelnemers die elke twee ronden van 8 minuten dienen te vullen om uiteindelijk twee dichters over te houden die nog eens 10 minuten krijgen om hun ding te doen.

het mooi evenwichtig samengestelde deelnemersveld bestond gisteren uit Martin Beversluis, Maaike Haneveld, Amber-Helena Reisig & Moi - In de finale mocht ik het opnemen tegen Martin - waarna het publiek, in Eindhoven tegelijkertijd als jury fungerend, besloot dat ik het kunstobject (een in beperkte oplage uitgegeven kwartetspel) mee naar huis mocht nemen - tja

mooie dingen gehoord en gezien en zeker voor herhaling vatbaar

sprokkelingen



hij wilde het wel hij wilde het niet / hij wilde het wel hij wilde het niet

vrijdag 16 april 2010

writers at work (25)



godfried bomans

vandaag in sepia - Charlotte Salomon



Charlotte Salomon werd op 16 april 1917 in Berlijn geboren als enig kind van de chirurg Albert Salomon (1883-1976) en Fränze Grunwald (1890-1926). Haar moeder was afkomstig uit een intellectuele familie waarin veel zelfmoord voorkwam. Zo was Fränze's zuster, Charlotte Grunwald, in 1913 op 19-jarige leeftijd verdronken. Vermoedelijk ging het om zelfmoord. Charlotte, die naar deze jong overleden tante genoemd was, groeide op in een geassimileerd joods gezin dat een appartement in de Wielandstrasse 15 bewoonde. Deze straat was gelegen in de wijk Charlottenburg, toen een van de rijkste buurten van Berlijn, waar de hogere burgerij woonde. Toen Charlotte bijna 9 jaar oud was, in 1926, pleegde ook haar moeder zelfmoord door zich uit het raam van het appartement in de Wielandstrasse te werpen. Tegen Charlotte zei men dat zij aan griep gestorven was. Dat het om zelfmoord ging, zou ze pas tijdens haar ballingschap in Zuid-Frankrijk te weten komen.

Vanaf Pasen 1927 bezocht Charlotte het "Fürstin-Bismarck-Gymnasium" in Berlijn. In september 1930 hertrouwde haar vader met de beroemde zangeres Paula Lindberg. Charlotte was toen 13 jaar oud en richtte al haar puberale dweepzucht op haar stiefmoeder.

De machtsovername van Hitler, in januari 1933, veranderde ook de situatie van de familie Salomon ingrijpend. Als jood verloor Albert Salomon zijn professoraat, Paula Lindberg mocht niet meer als zangeres optreden en de antisemitische vijandigheid op Charlotte's school nam toe. Paula Lindberg kon alleen nog optreden in de concertzaal van de door hun vriend Kurt Singer opgerichte "Kulturbund Deutscher Juden". De "Kulturbund" vormde een soort cultureel getto waarbinnen alleen joden mochten optreden. De grootouders van Charlotte van moederszijde, dr. F. Grunwald en M. Benda Grunwald-Benda, verlieten Berlijn in 1933 en emigreerden het jaar daarop naar Zuid-Frankrijk.

In september 1933 verliet Charlotte het gymnasium. Om zich te kunnen voorbereiden op het toelatingsexamen van de kunstacademie nam ze tekenlessen. In het winterseizoen 1935-1936 werd Charlotte, eerst op proef en vanaf februari 1936 definitief, op de Berlijnse kunstacademie toegelaten. Dit was (ondanks dat zij joods was) mogelijk omdat haar vader in de Eerste Wereldoorlog als arts in het Duitse leger had gediend. Zij was de enige jodin in haar klas.

Tot de vrienden die in deze periode in huize Salomon kwamen, behoorden onder andere Kurt Singer en diens oudere vriend Leo Baeck. Ook Alfred Wolfsohn behoorde tot de vrienden van de familie. Charlotte raakte eveneens bevriend met Wolfsohn op wie ze ook verliefd werd. Als eerste liefde, of misschien kalverliefde, was Wolfsohn voor haar van grote betekenis.

In het winterseizoen 1937/1938 verliet Charlotte de Kunstacademie. Aanleiding was een incident rond een prijsuitreiking. De Academie had haar een prijs toegekend, waardoor echter haar joodse identiteit algemeen bekend dreigde te worden. Om haar te beschermen zorgde een van haar docenten ervoor dat de prijs naar iemand anders ging. Het gebeuren raakte al gauw onder de studenten bekend en Charlotte keerde niet meer naar de Academie terug.

Toen de jodenvervolging in Duitsland na de Reichskristallnacht van 9 november 1938 verhevigde, betekende dit ook voor de familie Salomon een belangrijke inbreuk op hun leven. Albert Salomon werd gearresteerd en tijdelijk in het concentratiekamp Sachsenhausen geïnterneerd. Met behulp van het verzet lukte het Paula Lindberg hem er weer uit te krijgen.

In januari 1939 verliet ook Charlotte Berlijn. Onder het mom van een weekendbezoek begaf ze zich naar haar grootouders Grunwld in Villefranche in Zuid-Frankrijk. Deze hadden onderdak gevonden bij de Amerikaanse Ottilie Moore. Otillie won het vertrouwen van Charlotte en kocht haar werken om ze in de Verenigde Staten te verkopen. Hierdoor gaf ze Charlotte niet alleen financiële onafhankelijkheid maar tevens zelfvertrouwen.

Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak, pleegde haar grootmoeder zelfmoord. Tegen de achtergrond van deze dramatische gebeurtenis hoorde Charlotte voor het eerst van de andere zelfmoorden die als een vloek op haar familie rustten. Na het begin van de oorlog werden Charlotte en haar grootvader in het kamp Gurs in de Pyreneeën geïnterneerd. In juli mochten ze, vanwege de hoge leeftijd van grootvader Grunberg, weer terugkeren naar Nice. Charlotte kreeg nu een zware zenuwinzinking. Een arts adviseerde haar weer aan haar artistieke werk te beginnen om de schokkende ervaringen van de laatste jaren te verwerken. In brieven aan haar ouders schreef Charlotte dat ze was begonnen met een omvangrijke cyclus gouaches. Zo ontstond de meer dan 1300 autobiografische gouaches tellende reeks die ze "Leben? oder Theater?" noemde en vormgaf als een muziektheaterstuk. in 1942 rondde ze dit omvangrijke kunstwerk af.

Op 27 september 1942 vertrok Otilie Moore met tien van haar aangenomen kinderen, haar dochter en een neef naar Amerika. Alexander Nagler, een vriend van haar, bleef achter om voor de vier overgebleven kinderen te zorgen. Begin 1943 overleed Charlotte's grootvader aan alle ontberingen. Op 12 februari 1943 werd hij in Nice begraven. Nagler toonde veel belangstelling voor Charlotte's werk. Eigenlijk was hij nu de enige persoon met wie Charlotte nog contact had. Ze werd verliefd op Nagler, die waarschijnlijk de eerste man in haar leven was. Op 17 juni 1943 trouwden ze op het stadhuis van Nice.

Een incident op het stadhuis, waarbij een ambtenaar Nagler, die een vals persoonsbewijs had, er op wees dat hij als ariër niet met een joodse vrouw mocht trouwen, was er de oorzaak van dat uitkwam dat ook hij joods was. Als gevolg hiervan werden Charlotte en Alexander op 24 september 1943 opgepakt. Charlotte was toen vier maanden zwanger. Meteen na aankomst in Auschwitz werd Charlotte Salomon op 10 oktober 1943 vermoord. Nagler werd op 1 januari 1944 vermoord. Voor haar vertrek had Charlotte kans gezien haar autobiografische levenswerk in te pakken en het aan een vriend te geven. Tegen die vriend zei ze: "Bewaar dit goed. Het is mijn hele leven."



(bron: Joods Historisch Museum)

onbekende foto van Arthur Rimbaud opgedoken





meer info omtrent de ontdekking treft men hier & hier- het blijft mijns inziens nog steeds enigszins gissen of het hier daadwerkelijk Arthur Rimbaud betreft, maar de aannemelijkheid staat me zeker aan (met dank aan de contrabas voor de link)

dinsdag 13 april 2010

maandag 12 april 2010

uit het schetsboek geklapt


vandaag in sepia - Leo van der Zalm (1942 - 2002)



Leo van der Zalm (Noordwijk, 12 april 1942 – Amsterdam, 1 juni 2002) was een Nederlands dichter in de marge en was als 'Lord Hoedan' een markant lid van het Amsterdams Ballon Gezelschap.

Van der Zalm werd geboren als zoon van een bollenboer. Zijn ouders begonnen later een hotel en hun zoon hielp na het gymnasium mee, tot hij in 1964 in Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde ging studeren. Na drie jaar staakte hij zijn studie en vestigde hij zich op een in Antwerpen aangeschaft motorschip dat hij aan de Oudeschans tegenover de Montelbaanstoren afmeerde. Hij maakte via Theo Kley kennis met tandarts/kunstenaar Max Reneman en werd lid van het Deskundologisch Laboratrium, de Insekte Sekte, het Eksoties Kietsj Konservatorium, het Nurks Mannenkoor en het Amsterdams Ballon Gezelschap. Op zijn boot ving hij tal van daklozen op.

In de jaren zeventig studeerde Van der Zalm alsnog af op een scriptie waarin hij beschrijft hoe in de eerste helft van de 17e eeuw over zwervers en armenzorg werd gedacht. Hij maakte reizen naar India en Zuid-Amerika om naspeuringen te doen naar de Nederlanders die daar eens hadden geleefd. De reizen naar India resulteerden uiteindelijk in de roman Backers branie (1998) waarin Van der Zalm een vergeten episode uit de VOC-geschiedenis aan de kust van Kerala beschrijft.

Van der Zalm drukte jarenlang gedichten op een oude degelpers in het ruim van zijn schip. Hij debuteerde in 1978 met de bundel Het beestenspul van A'dams Blijdorp en zou in de jaren daarna als 'Portier van de Drempeldichters' vooral jonge dichters als Carla Bogaards, Pieter Boskma en Diana Ozon op weg helpen. Ook was hij enkele jaren medewerker van het One World Poetry festival en jury-lid van de George Orwell-literatuurprijs. Aat Veldhoen schilderde een meer dan levensgroot portretvan Van der Zalm dat in 1988 door het Amsterdams Historisch Museum werd aangekocht.

Van der Zalm overleed op 60-jarige leeftijd aan de gevolgen van hersenvliesontsteking. Op 6 juni 2002 werd hij gecremeerd. Zijn archief berust bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

(Tekst : Wikipedia)

een in memoriam & een tweetalgedichten treft men hier

writers at work (22)


Witold Gombrowicz

zondag 11 april 2010

Een brief aan Gerard Reve (Fragment)



uit het schetsboek geklapt


writers at work (21)



Attila Jozsef

vandaag in Sepia - Attila Jozsef



Atilla werd geboren in een Grieks orthodox gezin te Boedapest op 11 april 1905. Hij was drie jaar oud toen zijn vader ( Aron Jozsef - van Roemeense of Servische afkomst) het gezin in de steek liet. (Lange tijd werd gesuggereerd dat Aron de benen had genomen richting Amerika, maar hij bleek niet verder te zijn gekomen dan Roemenie, waar hij in November 1937 zou komen te overlijden - slechts enkele weken voor zijn zoon voor eeuwig de ogen sloot.) Na het vertrek van de vader des huizes zag Atilla's moeder Borbala Pocze, zich genoodzaakt Ätilla en zijn zuster via de kinderbescherming bij een boerenfamilie in Ocsod onder te brengen. Alwaar hij werkzaam was als varkenshoeder, zoals de meeste kinderen in het dorp. Toen hij zeven was, had zijn moeder de financiële middelen om haar kinderen weer bij zich te laten wonen. Maar desalniettemin hadden de drie kinderen die het gezin telde, een alles behalve gemakkelijke jeugd. Jozsef werd op een gegeven moment naar een internaat gestuurd, alwaar hij een uitblinkend student bleek te zijn.

Op zijn vjftiende overleed zijn moeder. De bedelaar van schoonheid uit 1922, zijn eerste poëziebundel werd gepubliceerd met een introductie van Gyula Juhasz (1883 - 1937) een oudere dichter, die als mentor diende voor de jonge Atilla. Jozsef begon aan een studie Frans & Hongaars aan de universiteit van Szeged, maar werd verzocht zijn studie te staken, toen Antal Horger ( 1872 - 1946 ) een professor met groot aanzien aanstoot nam aan de anarchistische ondertoon van het gedicht "met een puur hart " uit 1925.

With a pure heart

I have no father and no mother,
I have no country and no god.
I have no lover in my bed
I won't be buried when I'm dead

For three days now I didn't eat,
not even a piece of bread.
My twenty Years are my power -
I'll sell them to the first comer.

If no one needs my twenty years,
the devil takes them, it appears.
With a pure heart, I'll burn and loot.
If I have to, I'll even shoot.

They'll catch me and string me up,
with the good earth cover me up,
and death-bringing grass will start
growing from my beautiful, pure heart.

(vertaald door John Bátki)

Daarop vertrok hij naar Wenen om met behulp van zijn zwager aan de universiteit aldaar te kunnen studeren. Een jaar later studeerde hij aan het Sorbonne te Parijs. In Parijs las hij Hegel, Marx & Lenin en na zijn terugkeer in Boedapest sloot hij zich aan bij de illegale communistische partij in 1930. Maar al snel hadden de Hongaarse communisten kritiek op zijn ideeën om het marxisme te combineren met de ideeën van Freud & Croce, en verbrak hij zijn banden met de partij uiteindelijk in 1935. In het jaar daarop, richtte hij het periodiek Szep Szo (Mooi Woord) op van stedelijke radicalen die zich verzette tegen de populistische beweging der Hongaarse communisten. Hij was een gepassioneerd felle tegenstander van de gevestigde orde & autoriteiten. Beïnvloed door het surrealisme ontwikkelde hij zich tot een marxistisch geïnspireerd dichter. In zijn sociaal politieke poëzie verwoorde hij op een indringende de materiele en morele nood van het arbeiders proletariaat en uitte daarnaast felle kritiek op de heersende staatsorde. Natuurlijke vormbeheersing en creatief aan de volkslyriek ontleend taalgebruik gaven zijn werk grote allure. Nadat hij zijn geloof in het Communisme had verloren en hij enkele ongelukkige liefdes affaires achter de rug had raakte hij steeds meer in zichzelf gekeerd & pleegde uiteindelijk zelfmoord door zich voor een trein te werpen.

Als scholier had Atilla al 2 zelfmoordpogingen ondernomen. De tweede bestond uit het slikken van een zestigtal aspirines. (Naar alle waarschijnlijkheid van middelmatige kwaliteit aangezien vandaag de dag een hoeveelheid van 30 paracetamols al als dodelijk wordt beschouwd) Op zijn 17e c.q.18e nam hij het besluit dat hij zich maar op een wijze van het leven wenste te beroven, namelijk door zich door een trein de dood in te laten slepen. Op die leeftijd legde hij zich dan ook op een avond op de rails, maar moest het meemaken dat de naderende trein op enige afstand van hem tot stilstand kwam, aangezien op die plek iemand anders zich met dezelfde doodswens op de rails had neergevlijd.

Vijftien jaar later pleegde Atilla alsnog zelfmoord door zich voor een vertrekkende trein te werpen. Dit gebeurde te Balatonszarszo, een voorstadje van Boedapest op 03.12.1937, nadat de dichter blootsvoets, verhongerd & ten prooi aan waanzin dagenlang had rondgezworven.

In Boedapest hangt in het kamertje waar Atilla Jozsef werd geboren een foto die zijn dood symboliseert: voetsporen in de sneeuw op een spoorwegemplacement Sinds 11 april 1964 is hier het museum The Atilla Jozsef memorial room gehuisvest.

Werken van Atilla Jozsef:

1931 Munkasok (Werkers) politiek geancaceerde poezie
1932 Kulvarosj ej (Nacht in de buitenwijken)
1933 A varos peremen (On the outskirts of het city)
1934 Ezsemelet (bewustzijn)
1940 J.Jozsef J.A. elete
1948 J.A Osszes versei

In 1950 werd de Jozsef Atilla prijs ingesteld - de belangrijkste Hongaarse onderscheiding op literair gebied.

1966 poems
1973 Engelse publicatie selected poems & texts

zaterdag 10 april 2010

writers at work (20)



William Carlos Williams

vandaag in sepia - Stuart Sutcliffe



Stuart Sutcliffe (Edinburgh, 23 juni 1940 - Hamburg, 10 april 1962) was een Brits kunstschilder en musicus. Samen met Pete Best behoorde hij tot de leden van The Beatles voordat deze band doorbrak.

Sutcliffe was schilder en een goede vriend van John Lennon. Toen hij in 1959 een schilderij verkocht voor 65 Engelse Pond werd hij door Lennon overtuigd dit geld te gebruiken voor de aanschaf van een basgitaar zodat hij bij Lennons band kon komen spelen. Sutcliffe bleek geen getalenteerd bassist, tot ongenoegen van vooral Paul McCartney.

Sutcliffe werd lid van de band. Na een van de optredens (in Litherland Town Hall in Liverpool) kreeg hij ruzie en raakte gewond aan zijn hoofd.

Toen de nog onbekende Beatles naar Hamburg vertrokken voor een serie optredens, ontmoette Sutcliffe daar Klaus Voormann. Die stelde hem voor aan zijn vriendin Astrid Kirchherr, met wie Sutcliffe later een relatie zou krijgen. Kirchherr veranderde Sutcliffes kapsel, en hij bleek later het eerste Beatles-kapsel te dragen.

Bij terugkeer van de groep naar Liverpool bleef Sutcliffe achter en begon aan een kunststudie in Hamburg.

Op 10 april 1962, een dag voordat The Beatles weer naar Hamburg kwamen voor hun derde Duitse tournee, overleed Stuart Sutcliffe aan de gevolgen van een hersenbloeding. Sutcliffes overlijden werd hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door een prop in een bloedvat in de hersenen. Het idee dat hij betrokken zou zijn geweest bij een vechtpartij, die later tot zijn dood zou hebben geleid, is door meerdere bronnen afgedaan als speculatie.

De beginperiode van The Beatles en vooral de rol van Stuart Sutcliffe (vertolkt door Stephen Dorff) daarin werd in 1994 verfilmd onder de naam Backbeat.
(wikipedia)

meer info treft men hier

donderdag 8 april 2010

dagnotities 8 april 2010

opa en het open einde

amper strand
& toch
die kuilen

een fiets
die daar zo
juist nog stond

er loopt
sepia uit je mond

& naast je schoenen

writers at work (19)


Susan Sontag

vandaag in sepia - Charles Baudelaire



Charles Pierre Baudelaire (Parijs, 9 april 1821 – aldaar, 31 augustus 1867) was een Frans dichter en kunstcriticus. Zijn bekendste dichtbundel is Les Fleurs du mal

Toen Charles zes jaar was, overleed zijn vader. Zijn moeder hertrouwde met een bataljonscommandant, generaal Aupick. Al snel groeide tussen beiden een groot gevoel van wederzijds onbegrip. In 1836 werd hij ingeschreven in het Collège Louis-Legrand in Parijs waar hij in 1839, om een kleinigheid tijdens de filosofieles, van het lyceum werd gestuurd. Hij ging vervolgens het leven leiden van een bohemien, had talrijke vriendinnen en stak zich diep in de schulden

In 1841 legde generaal Aupick hem een bootreis naar Indië op. Charles brak zijn reis echter halverwege af, en vanuit Mauritius keerde hij met een andere boot terug. Gedichten als A une Dame créole, L'albatros en Parfum exotique zijn op deze reis geïnspireerd.

In 1842 eiste hij het vruchtgebruik van zijn fortuin op; de helft hiervan joeg hij er in twee jaar doorheen. Hij ontmoette de mulattin Jeanne Duval die hem onder andere inspireerde voor Le serpent qui danse en Parfum Exotique.

Hij vond werk als journalist-satiricus en kunstcriticus en begon in 1843 aan het schrijven van Les fleurs du mal, zijn bekendste dichtbundel. In 1847 publiceerde hij de novelle La Fanfarlo. Daaruit blijkt al zijn minachting voor zijn omgeving, zijn zelfhaat én zijn oververfijnde geest.

In zijn verslagen van de Salons van 1845 en 1846 schreef hij: "Wie Romantiek zegt, zegt moderne kunst, dat wil zeggen: innerlijk, spiritualiteit, kleur, een streven naar het oneindige met alle middelen die de kunst biedt."
Baudelaire was atheïst. Tijdens de revolutie van 1848 stond hij op de barricaden. Hij was er echter vooral op uit zijn stiefvader neer te schieten. Teleurgesteld in de uitloop van de revolutie trok Charles weg uit Parijs en trachtte hij de kost te verdienen bij regionale dagbladen. Poe was net door zwaar drankmisbruik om het leven gekomen en Charles zag het als zijn taak om elk verhaal van de grote Amerikaanse schrijver in het Frans te vertalen en vestigde daarmee, zowel in Europa als Amerika definitief Poes status. Daarin vond Baudelaire de esthetica van de pure poëzie: het gaat niet om l'art pour l'art (de kunst om de kunst) maar om schoonheid, die via de fantasie wordt waargenomen. Baudelaire wordt beschouwd als de voorloper van het decadentisme.

Onder invloed van De Maistre en Poe ging zijn revolutionair romantisch vuur over in een zeker conservatisme. Hij vertaalde onder andere Poes Fantastische vertellingen en ook diens Poetic Principle.

In 1857 verscheen de eerste uitgave van Les Fleurs du mal. Er brak een vruchtbare periode aan, maar ook een periode vol bitterheid en wanhoop.

In 1864 vestigde hij zich in Brussel, waar hij zijn verzameld werk hoopte te kunnen laten uitgeven. Toen dat niet lukte, schreef hij in zijn verbittering het pamflet Pauvre Belgique!
In 1869 verscheen de bundel Le spleen de Paris waarin vijftig prozagedichten staan afgedrukt.

Tegen het eind van zijn leven leed hij aan stoornissen van het centrale zenuwstelsel, die zich uitten in afasie en verlammingsverschijselen. Baudelaire stierf in 1867 te Parijs.

(wikipedia)

de werken van Baudelaire treft men onder andere hier

woensdag 7 april 2010

dagnotities 7 april 2010

Moet

ik drink de dag
het liefste zwart
veeg met mijn mouw
herinneringen weg
't tafelblad
weerspiegelt slechts
dat lapje stof
door mij
tot kledingstuk verheven
de knopen
denk je er maar aan
zoals een rits toch ook
& ooit weer open

---

hoe moet dat toch
als je niet eens weet
hoe je een boerka
moet verwijderen

over het hoofd
of zit er een rits in

klittenband kraakt

---

vroege toneelbewerking van 1984 (1954)



writers at work (18)



James Weldon Johnson