De volunteersverblijven waren verreweg
van luxe te noemen, maar ik heb ze zonder enig probleem negen maanden
lang als zijnde mijn thuis beschouwd. Oké, we sliepen met drie man
op een niet al te grote kamer, met meubilair (bed, kast, tafeltje,
stoel) waar de nieuwigheid al enige tijd vanaf was, tussen wanden die
onder de grafiti zaten en we dienden ons te douchen in een ruimte die
levendiger was dan diegene die er gebruik van maakte. Maar zoals we
in militaire dienst al riepen : 'lekker belangrijk'. Je had een bed,
je had te eten en meer info en indrukken dan je thuis ooit te
verwerken zou krijgen. En op de achtergrond hoorde ik mijn
grootmoeder al zeggen: 'jongen, wie het minst verwacht, ontvangt het
meest'.
Ik zal dan ook nooit die twee meiden uit Londen
vergeten, die bij aankomst niet veel anders bij zich hadden dan wat
ze doorgaans meesjouwden op hun vakanties naar Lloret de mar of waar
ze dan ook gewend waren zich straalbezopen uit te laten …. – maar
goed laat ik niet te veel in generalisaties vervallen – dat liet ik
toendertijd ook al over aan de kibbutz jeugd, waarover later vast
meer. De dames hadden dus duidelijk één of ander zomerkamp in
gedachten, terwijl de kibbutz toch echt iets anders voor hen in petto
had, waardoor ze uiteindelijk nog geen dag later weer op hun hoge
hakjes richting bushalte verdwenen, al had ik ze maar wat graag
tussen de koeien of de kippen gezien
Naar mijn idee waren we
dus van alle gemakken voorzien. De tegoeden voor de kibbutzwinkels
hingen mogelijk niet over, en van de beloofde uitstapjes kwam ook
niet altijd iets terecht. Maar het had zeker zijn voordelen om op een
kleine, zogenaamde arme kibbutz terecht te komen. Zo hoorde je over
de kibbutzim waar meer geld voorhanden was vaak genoeg verhalen dat
er nauwelijks naar de volunteers werd omgekeken, wat toch zoiets is
als op vakantie gaan naar griekenland, met een geschiedenis van hier
tot, en niet verder komen dan het strand, terwijl ik dagelijks de
meest uiteenlopende gesprekken had, over hun leven, hun geschiedenis,
de politiek, en daarnaast regelmatig bij hen thuis werd uitgenodigd
voor de koffie, om mee te eten en voor nog meer verhalen. Dat ik
geregeld wat spaargeld aan diende te spreken, bijna 60 uur per week
aan het werk was, was in mijn ogen dan ook meer dan verwaarloosbaar
**
vanaf de watertoren
had je zonder twijfel
het beste uitzicht
op de kibbutz
niet dat de werkelijkheid
er opeens
zoveel mooier op werd
maar de afstand
had iets geruststellends
zoals meisjes in de verte
**
het zwembad
begreep
hoe de wolken bewogen
& in de schuilkelder
viel een woord
**
Boven de eetzaal (chader
ochel in het Hebreeuws & ja wij verlegden regelmatig de klemtoon)
bevond zich de Moldairn, een ruimte waar de kibbutzniks na het
avondeten vaak bijeenkwamen om een kop koffie te drinken, een
spelletje te spelen, magazines (ik denk dat ik aldaar wel tientallen
jaargangen van National Geographic heb doorgespit) dan wel kranten te
lezen of tv te kijken, om ondertussen de gebeurtenissen van de dag
(veelal politiek) te bespreken. De wijze waarop bijvoorbeeld een
bomaanslag in Tel-Aviv, Jeruzalem of Haifa gerelativeerd werd, is
iets waar ik me altijd over verbaasd heb. Maar dat ik het deels heb
overgenomen valt echter niet te ontkennen.

Aangezien wij volunteers
daar geregeld bivakkeerden gingen de gesprekken ook vaak in het
Engels. Op zich wel gemakkelijk maar dat heeft er ook voor gezorgd
dat ik het Hebreeuws of eigenlijk zou ik Ivriet moeten zeggen, nooit machtig ben
geworden. Op enkele woorden en zinnen na, die nu overigens ook al
weer grotendeels verdwenen zijn. Zelfs een korte cursus van één van
de oudere kibbutz bewoners heeft daar weinig aan bijgedragen, Je
sprak het niet – je dacht het niet.
Maar ik zal het altijd een
fascinerende taal blijven vinden, en zo nu en dan haal ik het
woordenboekje English - Hebrew weer tevoorschijn , al was het maar om
het woord relativeren op te zoeken.
**
Op de dag dat ik na mijn tweede verblijf op de kibbutz, weer huiswaarts zou keren,
was ik 's morgens nog even in het Dizengoff Center te Tel-Aviv
geweest om de nodige cadeautjes in te slaan. Want waarom zou je dat
in vredesnaam eerder doen, als je daar ook tot op het laatste moment
mee kunt wachten.
Om daarna de bus naar het
vliegveld te nemen en aldaar de rest van de dag door te brengen tot
mijn vliegtuig tegen de avond zou vertrekken. Niets bijzonders dus.
Tot ik de avond daarop vernam dat er die middag nabij datzelfde Dizengoff
Center een bom ontploft was. Ik had die afgelopen drie maanden (&
tijdens een eerder verblijf) echt wel geleerd om te relativeren, maar
dit ging me nou niet bepaald in de koude kleren zitten. Hoewel het
volgens mij nog enkele weken geduurd heeft voor ik me echt
realiseerde wat er nu precies gebeurt was.
Het zou vervolgens nog
enkele jaren duren alvorens één van de slachtoffers van die aanslag
wederom mijn pad zou kruizen, toen ik in een boekhandel bij toeval
een boek onder ogen kreeg, met de titel : Het lied van Bat-Chen.
Het verteld het
dramatische verhaal van Bat-Chen Shachak, aan de hand van
getuigenissen en het dagboek dat ze vanaf 1991 had bijgehouden, en
waarin ze veelal in dichtvorm verslag doet van de Israelische
realiteit zoals de golfoorlog, de vredesonderhandelingen en de moord
op Yitschak Rabin, en de uitwerking die dat heeft op haar en haar
leeftijdsgenoten :
Is het overdreven erover
te dromen
veilig te lopen
door de straten van het
oude jeruzalem
Het boek eindigt abrupt op
4 maart 1996 wanneer ze op haar verjaardag tezamen met nog twee
vriendinnen omkomt bij een bomaanslag te Tel-Aviv. Ze werd vijftien
jaar oud.
**